Lezing door kunsthistoricus en academiedocent Jaap Nijstad.

Nijstad plaatst de beeldhouwkunst in de Lage Landen na de Tweede Wereldoorlog in een internationale context.
Na de aanvankelijke vernieuwingen in de beeldhouwkunst in Nederland (eind 19e /begin 20e eeuw) zet deze tendens zich maar moeizaam voort in de jaren van het interbellum. Na de Tweede Wereldoorlog komt er een werkelijk eigentijdse beweging op gang. Er ontstaat een autonome beeldhouwkunst, veel minder verankerd in de traditie van de bouwsculptuur, die vrij en ruimtelijk is van geest en die aansluiting weet te vinden bij de grote internationale
beeldhouwkunst.

Tentoonstellingen in musea (stedelijk Museum Amsterdam 1948) en in de openlucht (Sonsbeek 1949) stimuleren een interactie met de Avant-garde uit Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië. Traditie en experiment staan naast elkaar. Dat is een situatie die tot op de dag van vandaag is blijven voortbestaan.
De lezing bestrijkt het tijdvak van de klassiek modernen, zowel uit binnen- als uit buitenland, tot en met de hedendaagse beeldhouwers die in Nederland actief zijn.

Bekende namen die we tegen zullen komen zijn onder meer: Zadkine, Marini, Moore, Laurens, Tajiri, Wolkers, Reijers, Couzijn, Guntenaar en Visser. En natuurlijk is er aandacht voor een aantal vrouwen in de beeldhouwkunst die, zeker in deze periode, op een gelijkwaardige manier deelnemen aan de beroepspraktijk, zoals Van Pallandt, Franzén- Heslenfeld, Blaisse, Bijlo en Zijlstra.